2 Rova 4708 –
vervolg
Wanneer de vier met het paard terug naar taverne ‘De Drie
Ringen’ trekken, worden ze bij de deur geënterd door een man die een walm bier
uitwasemt. Hij stort zich meteen op Stranger, op wiens schouder hij zijn
dronkemansverdriet uitjammert. De elf blijkt hem wel eerder ontmoet te hebben
en pakt wachtsergeant Grau verrassend vriendelijk aan.
Chiara kent de dronkelap ook wel en heeft niet veel
vertrouwen in een helpende hand – vroeger was hij één van de beste mannen in
het regiment, maar tegenwoordig valt er niks meer met hem te beginnen. Volgens
Stranger verdient echter iedereen een tweede kans. Hij giet Grau vol met zwarte
koffie, spreekt hem moed in en aanhoort met relatief geduld zijn weeklachten.
Wanneer er geen einde aan blijkt te komen, sleurt hij de man mee naar de
soldatenbarakken waar hij hem na een gedwongen douche overhandigt aan enkele
soldaten die beloven verder zorg voor hem te dragen. Grau lijkt de aanmaning om
zijn tweede kans niet te verspelen, zowaar serieus te nemen.
Intussen hebben Rexana en Chiara, die er niet veel voor
voelen elke avond na hun opdrachten voor de veldmaarschalk de hele stad te
doorkruisen, logies gevonden in de herberg. Varlock haalt zijn neus op voor het
al te nette onderkomen en is ook niet gediend van de politiek van eigenares
Theandra Donkerlicht die tegen elven al stopt met bier schenken. ‘De Krakende Hangmat’
is meer zijn smaak. Stranger kiest simpelweg een muur van de citadel waar hij
tegenaan gaat leunen, trekt zijn kap over zijn hoofd, en verzinkt in meditatie.
3 Rova 4708
De volgende ochtend is Stranger al bij het krieken van de
dag wakker. Hij gaat in de citadel checken of Grau nog op het rechte pad is, en
biedt vervolgens zijn diensten aan: hij wil wel eens met een patrouille
meelopen om de stad beter te leren kennen.
Varlock ontwaakt een stuk later bij het haardvuur van ‘De
Krakende Hangmat’. Hij begeeft zich naar de citadel om Stranger te zoeken, maar
krijgt daar te horen dat de elf al uren op pad is.
Wanneer Strangers ronde is afgelopen, gaan de twee maar
weer richting ‘De Drie Ringen’, waar Rexana de Harrowkaarten zit te bestuderen.
Ze neemt de suggestie van Stranger ter harte om ook Zellara nog eens om raad te
vragen. De geest van de waarzegster verschijnt gewillig en vertelt de vier dat
ze op de goede weg zijn, ze volgen het pad dat ze moeten volgen. Daaraan voegt
ze raadselachtig toe dat ‘de Konijnenprins’ binnenkort van zich zal laten
horen. Rexana kan de andere drie de kaart in kwestie laten zien, en herinnert
zich dat bij de legging van Zellara deze kaart voor haar getrokken werd…
Daarna is het tijd voor een praktische kwestie: het lijkt
veilig noch handig om met goudstaven te blijven rondsleuren. De vier besluiten
om die te gaan inruilen bij de bank, die gevestigd is in de tempel van Abadar.
Daar aangekomen treffen ze echter een gesloten deur. Een kordon wachters
bewaakt de poort, en meldt hen dat de bank gesloten is wegens rellen – er komt
niemand in. Rexana weet ze echter te overtuigen dat voor haar, als beschermster
van het Pantheon der Velen, wel een uitzondering kan worden gemaakt.
Schoorvoetend wordt ze doorgelaten en door een zenuwachtige priester meegenomen
naar de geldwisselkantoren, waar ze de geldzaken uiteindelijk vlot kan regelen.
Wanneer alles in orde is, wordt ze door een zichtbaar opgeluchte priester weer
naar buiten geëscorteerd, waar ze door de overige drie met licht ongeduld
onthaald wordt.
Nu ieder zijn deel in goudstukken heeft uitbetaald
gekregen, kunnen de vier zich van de nodige uitrusting voorzien: als ze hun
opdrachten voor de veldmaarschalk met succes willen blijven afronden, moeten ze
goed voorbereid zijn.
Na de aankopen trekken de vier weer naar de citadel om te
informeren of hun diensten vandaag gewenst zijn. Daar is veldmaarschalk
Cressida net in gesprek met een gast: een lange, oudere man met duidelijk
oud-Chelisch bloed. Ze stelt hem voor als Vencarlo Orisini. Vencarlo staat
onmiddellijk hoffelijk op, begroet de dames met een zwierige handkus, en biedt
hen met sonore stem zijn stoel aan. Varlock kan nauwelijks de neiging
onderdrukken met zijn ogen te rollen en ook Stranger staat er wat sceptisch
bij. Cressida verklaart dat haar gast leraar schermen en zwaardvechten is: hij
heeft zijn eigen school in Oud-Korvosa. Hij houdt haar op de hoogte van nieuws
en ontwikkelingen op straat.
Zonet heeft hij haar een zorgwekkend gerucht onder de
aandacht gebracht. Darvayne Gios Amprei, Chelisch ambassadeur in Korvosa, zou
in het geheim aansturen op een keizerlijk embargo tegen Korvosa. Hij wil de
stad waar hij een afkeer van heeft economisch op de knieën dwingen, om er
daarna grote stukken van op te kopen.
Cressida verzoekt hen om een nieuwe taak in de schaduwen
op zich te nemen: het is bekend dat de ambassadeur een trouw bezoeker is van
‘Palingpunt’ in Oud-Korvosa, een gok- en drinktempel waar vele geneugten voor
geld gekocht kunnen worden. Mogelijk kan daar iets gevonden worden dat tegen de
ambassadeur gebruikt kan worden zolang er nog geen bewijzen van zijn snode
campagne zijn.
‘Palingpunt’ is gevestigd op een aantal schepen die aan
de eerste pier liggen en is het eigendom van Devargo Barvasi, die wel ‘Koning
der Spinnen’ wordt genoemd. Zijn informatienetwerk is wijdvertakt en als er
iets tegen Amprei te vinden is, dan zal hij er ongetwijfeld van op de hoogte
zijn.
De vier nemen de opdracht aan en krijgen duizend
goudstukken ter beschikking gesteld waarmee ze Devargo eventueel tot
medewerking kunnen bewegen.
Vencarlo biedt voorkomend aan om hen richting Oud-Korvosa
te begeleiden, en gaat hen met geruisloze tred voor op zijn soepele leren
laarzen. Chiara bestudeert Vencarlo aandachtig en merkt op dat hij twee
vingers van zijn rechterhand nooit beweegt. Ze maakt de anderen er onopvallend
op attent, en Stranger knoopt een praatje aan met Vencarlo, die hem eerder van harte
bedankte voor zijn goede zogen voor Grau. Nonchalant vraagt de elf naar Vencarlo
zijn rechterhand. Het gezicht van de man betrekt. Hij vertelt dat hij twee
vingers verloren heeft in een ongelukkig duel, maar wil er niet meer over
kwijt. Na enig peinzen herinnert Chiara zich geruchten over een schandaal
waarbij Vencarlo, Grau en Sabina Merrin betrokken waren.
Bij Noordpunt aangekomen merken de vier al gauw dat ze
het rijk van Devargo naderen: lantaarns in de vorm van droomspinnen verlichten
de schemering. Ze zien een pier met vijf schepen, elk met een bord waarop te
lezen staat welke genoegens de bezoeker daar wachten: de gokhal
‘Tweelingtijgers’, de herberg ‘Goudhavik’, de ‘Drakenvuurgalerij’ waar
verdovende middelen worden verhandeld, en het bordeel ‘Het Huis der Wolken’. In
het midden ligt een groot schip dat simpelweg ‘Palingpunt’ heet.
De vier beseffen ineens dat ze nogal overhaast aan deze
opdracht zijn begonnen: hebben ze wel een plan van aanpak? Rexana stelt voor op
de makkelijke manier te beginnen: Devargo is duidelijk een handelsman, die
waarschijnlijk wel gevoelig is voor klinkende munt. Als ze hem gewoon aanbieden
de informatie van hem te kopen, kan er allicht niet veel misgaan. Er wordt
schouderophalend ingestemd met dit plan, en ze lopen richting de eerste de
beste wachter. Rexana vraagt hem wat ze moet doen om Devargo te spreken te
krijgen, en de wachter raadt haar aan zich dan naar Palingpunt te begeven, waar
hij zich ophoudt.
Stranger krijgt op dit punt last van een onverklaarbare
weerzin. Hij deelt de anderen mee dat hij helemaal niet in de stemming is voor
een feestje. De nodige kritische vragen kunnen hem niet van die mening
afbrengen: hij weigert een voet te zetten op het dek met de feestende mensen.
Uiteindelijk laten ze hem maar achter op de pier, waar de elf rustig zijn
kruitkoker openmaakt en het ontvlambare materiaal in een kier van de pier
leeggooit: als er iets misgaat, kan hij alleszins voor een explosieve
afleidingsmanoeuvre zorgen.
Rexana, Varlock en Chiara begeven zich intussen naar
Palingpunt. De boot blijkt het boegbeeld te hebben van een kronkelende paling
met een vrouwenhoofd. Op het schip heerst inderdaad een feeststemming, maar al
na een eerste blik is duidelijk dat Devargo geen chaos wenst op zijn schepen:
wachters houden de boel goed in de gaten en grijpen in wanneer de feestvreugde
uit de hand zou lopen.
Het tweede dek daarentegen is vrij, en een dubbele deur
waarop de schildering van een spin is aangebracht wordt door wachters bewaakt.
De drie begrijpen dat Devargo daar wellicht zijn vertrekken heeft, en weten bij
de wachters doorgang te krijgen wanneer ze laten blijken dat ze interessante
handel voor Devargo willen voorstellen.
Ze komen binnen in de voormalige kapiteinshut. Het grote
vertrek hangt vol met spinnenwebben, waarin spinnen deinen, sommige zo groot
als een vuist. Varlock en Rexana zien Chiara witjes wegtrekken – de brutale
ranger voelt zich bij deze achtpotige wezens toch niet zo bijster op haar
gemak.
Er zijn tafels met stoelen in het vertrek te zien, waar
omheen een zestal ruw uitziende figuren zitten. De drie zien dat ze in de
minderheid zijn en besluiten voorlopig met tact te proberen krijgen wat ze hebben
willen.
Van het plafond hangt aan een ketting een kooi, waarin
een klein draakje zit opgesloten dat er niet bijster florissant uitziet. Ernaast
staat een lederen zetel, overdekt met webben, waarin een man zit, gestoken in
een zwart lederen harnas. Om zijn handen heeft hij een soort boksbeugels met
messen erin, waarvan een onheilspellend goedje druipt. Over zijn armen kruipen
nu en dan spinnen – Devargo lijkt er geen erg in te hebben of ze te
verwelkomen. Hij kijkt de drie avonturiers aan met heldere blauwe ogen en een
verrassend charmante glimlach.
Rexana neemt het woord, en begint met een wellevend:
“Gegroet, Koning der Spinnen”, wat bij Devargo in goede aarde blijkt te vallen,
ondanks het feit dat Chiara intussen boos tegen Varlock staat te fluisteren
over het arme draakje in de kooi. Devargo benadrukt echter dat zijn tijd
kostbaar is, en het duurt even voor Rexana, dergelijke toestanden niet meer
gewend in de tempel, beseft dat ze de begroeting kracht zal moeten bijzetten
door een geschenk in klinkende munt. Daarna wordt hij een stuk
toeschietelijker: hij heeft inderdaad wel iets dat ingezet kan worden tegen de
ambassadeur, maar hij is toch niet van plan dat zomaar te overhandigen. Eerst
wil hij wat vermaak: een spelletje ‘Messies’.
Chiara kent het spel wel – een ruw spel dat in kroegen
wordt gespeeld – en schuifelt een beetje naar achter. Ze is niet van plan aan
een dergelijk spel deel te nemen! Rexana daarentegen ziet ineens de kaart van
‘de Konijnenprins’ voor haar geestesoog zweven en weet dat haar moment van
actie gekomen is. Ze neemt de uitdaging van Devargo vastbesloten aan.
De regels worden kort uiteengezet: de twee spelers staan
bovenop een tafel, de rechterhanden aan elkaar gebonden. In het midden van de
tafel is een dolk gestoken. Omstanders mogen wedden op wie zal winnen, en
gooien geld op tafel. Winnen kan door al het geld vanop de tafel te verzamelen
of je tegenstander op de grond te krijgen.
Devargo wijst één van zijn mannen aan en Rexana klimt
tegenover hem op de tafel.
Het inzetten begint meteen. Een aantal van Devargo’s
trawanten heeft ook wel vertrouwen in de kunde van de onbekende strijdster,
komt aan haar kant staan en gooit wat geld op tafel. Wanneer het startsein
wordt gegeven, duikt Rexana’s tegenstander meteen naar de dolk. Rexana kiest
eerst voor een vreedzame manier om een einde aan het spel te maken en doet een
graai naar het geld. Maar de vreemde windvlaagjes die haar soms omringen,
blazen de munten bij haar vingers weg, en ze kan maar een schamele buit
oprapen. Intussen doet haar tegenstander een uitval naar haar met de dolk, en
ze beseft dat het spel hard wordt gespeeld. Ze probeert de man een vuistslag
toe te dienen, maar mist de geoefende speler. De Harrowkaart draait in haar
gedachten rond, en ze moet denken aan de boodschap van de kaart ‘zelfs de meest
geoefende krijger kan vallen in het gevecht’. Ze besluit het letterlijk te
nemen, en doet geen poging meer haar tegenstander te raken: ze zet zich schrap,
spant haar spieren, en met één krachtige duw weet ze de man van de tafel op de
grond te gooien.
Devargo is opgetogen, maar nog lang niet bevredigd. Hij
staat er op dat nu Varlock zijn kunnen laat zien. De dwerg is inmiddels wel
gewonnen voor dit spel, en neemt op zijn beurt plaats op de tafel. Een nieuwe
tegenstander dient zich aan en hun handen worden aan elkaar vastgemaakt.
Dit keer worden nog meer inzetten aan de kant van de
nieuwkomer geplaatst – de stevige dwerg boezemt ontzag in – en ook Rexana wil
er wel een gokje aan wagen met haar zonet gewonnen zilverstukken. Bij het
beginsein is het andermaal Devargo’s trawant die onmiddellijk op de dolk
afduikt. Geërgerd haalt Varlock uit om hem een dreun te verkopen, maar ook zijn
tegenstander weet zijn stoot soepel te ontwijken. Voor de man echter de kans
krijgt om daar veel mee te verwezenlijken, buigt de dwerg voorover, stormt op
hem af en plant zijn stevige dwergenschedel in de maag van de onfortuinlijke
man. Ten tweede male bijt één van Devargo’s trawanten in het stof.
Devargo’s plezier is er niet minder om. Wanneer Rexana
met hem onderhandelt over de prijs voor zijn informatie, toont hij zich bereid
in te stemmen met haar bod van vijfhonderd goudstukken, wanneer tenminste ook
Chiara haar kunnen vertoont.
De rosse half-elf is maar met moeite tot medewerking te
bewegen. Ten eerste heeft ze helemaal geen zin in dit spelletje waarbij ze haar
boog niet kan gebruiken, ten tweede wordt ze kriebelig van al die spinnen en
ten derde vindt ze het draakje in de kooi maar zielig. Uiteindelijk laat ze
zich echter overhalen, en klimt zuchtend op de tafel.
Devargo kiest zorgvuldig haar tegenstander: een niet al
te groot mannetje klimt tegenover haar. Handenwrijvend wacht Devargo deze
volgens hem gelijke strijd af.
Chiara ziet Devargo’s trawant weer eens richting het mes
grijpen, doet geen poging hem voor te zijn, maar dreunt tot groot jolijt van de
omstanders haar vuist tegen zijn neus zodra hij weer opkijkt om met de dolk uit
te halen. Het bloed spuit uit de neus van de verraste man, en terwijl hij
gedesoriënteerd naar achter wankelt, neemt Chiara de gelegenheid onmiddellijk
te baat: ze probeert hem in één beweging van de tafel te duwen. Hij verzet zich
nog even, zwaaiend met zijn dolk, maar Chiara is hem te snel af, en weet hem
met een volgende poging alsnog op de vloer te laten belanden.
De Koning der Spinnen applaudisseert opgetogen en zendt
een ondergeschikte het ruim in om de beloofde informatie op te halen. Nadat hij
het goud in handen heeft, krijgt Rexana een aantal brieven toegestopt. Devargo
vertelt hen dat ze deel zijn van de correspondentie van ambassadeur Amprei met
een getrouwde edelvrouw. Na een snelle blik op de documenten ziet Rexana al dat
ze hier smeuïg materiaal in handen heeft: als hier iets van uitlekt, kan Amprei
zijn carrière wel vaarwel kussen.
Voor ze afscheid nemen van Devargo doet Chiara nog een
poging om het draakje uit zijn kooi te mogen verlossen. Haar vrijgevochten
gemoed komt ertegen in opstand om het beest daar te laten zitten. Devargo wil
haar het draakje wel verkopen voor een torenhoog bedrag en heeft verder geen
oren naar haar sentimentele toespraak. De bezoekers moeten nu maar weer eens
opkrassen, tenzij ze nog een spelletje ‘Messies’ willen. Ze vindt bij Rexana en
Varlock, die vinden dat hun opdracht vervuld is en ze hier niets meer te zoeken
hebben, ook geen steun en druipt dan maar teleurgesteld af.
Op de pier vinden ze Stranger die zich bij het horen van
het verslag van de gebeurtenissen alleen maar gesterkt voelt in zijn gevoel dat
hij geen zin had in dit feestje. Het idee hand in hand met een bandiet op een
tafel te moeten ronddansen, trekt de elf naar eigen zeggen bepaald niet. Zijn
kameraden laten het er maar bij, en hopen dat zijn bui wel overwaait.
Hij wordt daarbij alleszins niet geholpen door een
vreemde ontmoeting, vlak voor ze bij de citadel zijn. Een verwarde man in
voddige kleren springt ineens voor hen op de weg. “Het oog van Groetes heeft
zich naar Korvosa gekeerd!”, profeteert hij onophoudelijk. Oog in oog met
Stranger verandert zijn tirade echter. “Je dood is nabij…!”, verklaart hij
luguber. Hij probeert zich aan Stranger vast te klampen, maar de elf is er
helemaal niet op gebrand door deze vlooienbaal omhelsd te worden en verblindt
hem met een snelle bezwering die in een lichtflits eindigt. Verblind rondwankelend
herhaalt de man zijn grimmige voorspelling en blijft Strangers dood
voorspellen. Dat is de laatste druppel voor Rexana, die aanvankelijk een
gelijkgestemde ziel meende te zien, aangeraakt door de goden en verward door
hun invloed. Echter: hoe langer de man tekeer gaat, hoe sterker haar intuïtieve
gevoel spreekt dat alles wat hij uitkraamt pure nonsens is. Ze vertrouwt erop
dat de goddelijke krachten die haar leven beïnvloeden haar leiden, deelt haar
mening krachtig mee aan Stranger en de twee anderen, en spoort hen aan om
gewoon door te lopen en de man te negeren.
In de citadel betoont Cressida zich zeer tevreden met hun
gezwinde vervulling van haar opdracht. Na één blik op de brieven kan ze al met
een lichte blos op de wangen constateren dat dit meer dan voldoende materiaal
is om Amprei in toom te houden. Ze stelt hen een beloning ter hand, en ook de
rest van de omkoopsom mogen ze houden. Dat dit nog niet de laatste opdracht zal
zijn, weet ze nu al wel… ook al is het iets kalmer in de stad, de rust is nog
steeds niet volledig weergekeerd…
Geen opmerkingen:
Een reactie posten