19 Rova 4708 (vervolg)
Wanneer de groep de kamer van Cressida binnenkomt, is ze in druk gesprek met een lange, magere man, wiens huid gekleurd wordt door tatoeages en lichaamsbeschilderingen. Om zijn schouders heeft hij een vacht hangen, en in zijn hand houdt hij een staf, gemaakt van gepolijst bot, waarop de schedel van een vuurvacht is bevestigd. Op zijn schouder zit een rode kraai.
Cressida stelt de man voor als Duizend Botten van de Skoan-Quah, de Clan van de Schedel, ambassadeur van de Shoanti.
De ambassadeur neemt vol verontwaardiging het woord. Alsof het nog niet genoeg is dat zijn volk, de Shoanti, door de immigranten – de huidige bevolking van Korvosa – zijn verdreven uit hun eigen land, is er nu dit weer. Gaekhen, zijn eigen kleinzoon, is gedood in rellen waar hij niks mee te maken had. En om het allemaal nog erger te maken: het lichaam van de vermoorde jongen kan niet op de traditionele manier worden gecremeerd, want het is verdwenen. De vader van Gaekhen en diens broers zinnen op bloedige wraak...
Cressida benadrukt het belang van de zaak. Korvosa kan er allesbehalve ook nog een burgeroorlog bij gebruiken. Het lichaam van de jongen moet teruggevonden worden en door Korvosa aan de familie teruggegeven worden, om enige hoop te hebben de vrede te kunnen bewaren. Op dit moment kan ze echter geen officiële wachters inzetten: om onopvallend te opereren heeft ze mensen nodig die zich bewezen hebben, niet in directe dienst van Korvosa zijn, maar toch hun loyaliteit aan de stad hebben getoond.
De groep begrijpt dat haast geboden is, en stelt zich snel op de hoogte van de bekende feiten. Elkaris, de man die het lichaam heeft gevonden, is door de wacht opgepakt. Hij heeft bekend dat hij het lichaam heeft verkocht aan Rolth. Deze figuur staat bekend als een dodenbezweerder die niets goeds in de zin heeft. Hij is uit de Academae verwijderd toen men erachter kwam dat hij bezig was met het construeren van een golem uit lichaamsdelen. Elkaris moest het lichaam achterlaten bij een half ingestort mausoleum, waar het onthoofde standbeeld van een gargouille op de grond ligt.
Duizend Botten weet hen nog te vertellen dat hij de geesten van zijn voorouders heeft geraadpleegd: Gaekhen zou zich nu bevinden in de Dodenburcht, een plek onder de huidige begraafplaats, waar ooit de begraafplaats van de Shoanti was. Nadat hij deze laatste informatie verstrekt heeft, verdwijnt hij uit het vertrek, om zich te wijden aan het zo rustig mogelijk houden van de woedende Shoanti's.
Stranger stelt voor om meteen Zellara te raadplegen met betrekking tot haar kennis over de zaak. Cressida kijkt verrast toe hoe de lichtende gestalte van de geest van de waarzegster verschijnt. Zellara kent inderdaad de onderaardse ruimten en gangen onder het Grijze District, waarvan sommige door natuurlijke oorzaken tot stand zijn gekomen, maar andere door ghouls zijn gegraven. Het is een geliefd oord voor dodenbezweerders. Dienaars van de tempel van Pharasma patrouilleren in de gangen, maar ze zijn met te weinig om het hele probleem de kop in te drukken. Vooral onder de Pottenbakkerswijk zou er veel gaande zijn.
Nadat Zellara weer is verdwenen, is Cressida er eens te meer van overtuigd dat ze de juiste mensen voor deze opdracht heeft gevonden.
De vier trekken eerst naar de tempel van Pharasma: mogelijk hebben de dienaars van de godin die overgestoken zielen begeleidt, hen nog meer informatie te verstrekken over de dodenbezweerder die ze zoeken. Ze komen binnen in een grijs gebouw. Binnen flakkeren slechts enkele fakkels, en alles lijkt in schaduwen gehuld. Zelfs de priesters, in hun grijze gewaden, lijken amper aanwezig terwijl ze stil voorbij lopen.
Stranger laat zich echter niet zo gauw afschrikken en spreekt een priester aan. Hij wordt echter niet veel wijzer: de Pharasmaan vertelt hem dat er veel te veel dodenbezweerders actief zijn om van allemaal te weten waar ze zich bevinden en waar ze mee bezig zijn. Hij kan hen echter wel helpen met een andere kwestie: enkele flesjes heilig water zullen hen wellicht goed van pas komen tijdens de komende opdracht. Een donatie wisselt gelijktijdig van eigenaar en de vier kunnen weer verder.
Ze trekken naar de Pottenbakkerswijk, waar momenteel de graven van de armen liggen. Er zijn geen grafstenen, alleen simpele hoopjes aarde, maar her en der staat nog een halfvergaan mausoleum. Na enig rondspeuren komen ze bij het mausoleum dat Elkaris beschreef. Ze vinden er sporen van een man en een kruiwagen en sporen van een viertal kleine mensachtigen, die maar vier tenen hebben.
Vastberaden dringen ze door in het mausoleum. Daar treffen ze verschillende tombes, maar Varlock vindt nog iets meer: een verborgen luik, waarachter een trap naar beneden blijkt schuil te gaan.
Op hun hoede dalen de vier af, met Varlock in de voorhoede. Ze komen terecht in een grote ruimte die blauwig oplicht. Op de muren blijkt zich een fosforescerende schimmel te bevinden, waardoor ze kunnen zien ondanks het omringende duister. Er hangt een vochtige, muffe lucht, die stinkt naar halfvergaan vlees. Vier pilaren steunen een koepelgewelf. In de muren zijn skeletten vastgezet van mensen en van kleinere wezens: kinderen, of mogelijk halflings. Links en rechts zijn putten te zien waarin een hoop botten zijn gegooid. Recht voor hen is er een gat in de wand, waarachter een tunnel lijkt te beginnen.
Terwijl ze de tunnel aan het inspecteren zijn, komt er echter ineens beweging in de putten met botten: zes mensachtige skeletten en één gigantisch vogelachtig skelet verheffen zich uit de putten.
Varlock stormt onmiddellijk naar de put waaruit de zes skeletten tevoorschijn zijn gekropen. Ze moeten een trap op om de kamer in te komen, en hij posteert zich stevig aan de bovenkant van de trap, zijn bijl in de aanslag.
Intussen heeft het vogelskelet zich op Rexana gestort: na een verpletterende klap, grijpt het haar in een dodelijke omhelzing, waaruit ze zich uit alle macht probeer te bevrijden. Met haar zwaard uithalen, lijkt geen enkele zin te hebben, want er is geen vlees om in te hakken.
Chiara schat de situatie in, en beseft dat haar pijlen evenmin veel effect zullen hebben. Ze holt richting de bottenput waaruit het vogelskelet is opgerezen en grijpt daar een stevig bot.
Varlock heeft zich inmiddels dezelfde bedenking gemaakt, en wanneer het eerste skelet de trap op komt geklikklakt, deelt hij een verpletterende klap met zijn schild uit. Het skelet ziet er danig door elkaar geschud uit, en de dwerg slaat het nog een keer rond de oren, zodat het ondode wezen als een levenloos hoopje botten uit elkaar valt.
Chiara is naar Rexana toegestormd, die nog steeds vruchteloos met het vogelskelet worstelt. Ze haalt flink uit met het bot, en weet het beest enkele ribben uit zijn lijf te slaan. Ook Stranger werpt zich in de strijd: de magiër vuurt magische projectielen op het vogelwezen af, die met luide klappen op het skelet inbeuken.
Varlock heeft de smaak te pakken: de skeletten proberen boven te komen, maar de dwerg bereidt ze een warm onthaal - telkens wanneer er één zijn knekelige kop laat zien, krijgt het een klinkende oorveeg met een stevig dwergenschild. Skelet nummer drie weet hem een kras te bezorgen met een benige klauw, maar de dwerg verpinkt niet, en antwoordt in de universele taal van een flinke dreun die voorgoed met het wezen afrekent.
Stranger ziet dat Chiara er flink met haar bot op los aan het timmeren is, en besluit om Varlock te gaan bijstaan. Hij keilt een flesje gezegend water tussen de overblijvende skeletten en weet zo één ervan tot stof te reduceren. Een tweede skelet wordt door een welgemikte kogel overhoop geknald, en Varlock moet zich haasten om de laatste nog zelf met een flinke mep van zijn schild uit elkaar te doen vallen.
Inmiddels heeft ook Chiara de fatale klap uitgedeeld, en Rexana kan verlicht ademhalen nu ze uit de greep van het vogelskelet is bevrijd, dat nu definitief dood is.
Nadat ze even op adem zijn gekomen, wordt de verkenning verder gezet. Chiara ontdekt een geheime gang, en ze besluiten die maar eens nader te gaan onderzoeken. De lichtvoetige ranger gaat voorop zodat ze eventuele gevaren op tijd kunnen zien en verrassen.
De gang geeft na enige zijgangen die ze voorlopig links laten liggen, uit op een ruimte waar twee kleine wezens met lichtblauwe huid en witte ogen en haar een merkwaardig spel zitten te spelen. Ze turen ingespannen in een labyrint gemaakt van klei en af en toe klinkt de klap van een hamer. Aan hun riem hebben ze een kruisboog hangen.
De vier trekken zich even terug en plegen stilletjes overleg. Stranger kan hen vertellen dat de wezens derro zijn, afkomstig zijn uit de Duistere Landen en niet veel goeds in de zin hebben: ze worden algemeen beschouwd als volslagen gek.
Er wordt besloten tot een verrassingsaanval. Chiara en Stranger springen tevoorschijn met getrokken boog en pistool. Ze vuren tegelijkertijd hun projectielen af, en worden daarna gevolgd door Varlock en Rexana die zich eveneens in de strijd gooien. De wezens graaien naar wapens, maar zijn verrast door dit plotse offensief. Terwijl Chiara en Stranger hun vuur op één van de wezens concentreren, hakken Rexana en Varlock het andere wezen in de pan.
Wanneer het gevecht is afgelopen, tast Chiara wat verdwaasd in haar pijlenkoker. Het dringt tot haar door dat ze zojuist haar laatste pijl heeft verschoten. Tandenknarsend moet ze het gegrinnik en de grapjes van haar metgezellen doorstaan over de professionele ranger die zonder pijlen op pad ging. Stranger krijgt echter medelijden en steekt haar de kruisboog toe die hij als reservewapen bij zich draagt: aan zijn pistool heeft hij toch genoeg. Chiara verzamelt de kruisboogpijlen die ze in de kamer vindt, en maakt zich snel vertrouwd met het mechanisme van het wapen. Ze is niet geheel tevreden dat ze haar vertrouwde boog moet missen, en ziet al helemaal niet uit naar het gedoe van het langdurige laden van een kruisboog.
De rest van de kamer wordt geïnspecteerd, maar levert niet veel op. In het labyrint blijkt een levende rat te zitten, zodat duidelijk wordt wat voor sadistisch spelletje de twee wezens aan het spelen waren. Stranger wil het beest maar afmaken, maar Chiara protesteert luidkeels tegen deze onnodige wreedheid jegens dieren. Ze komen in een verhitte discussie terecht, die abrupt wordt afgebroken wanneer een schril gepiep opklinkt. Wanneer ze omkijken naar het labyrint blijkt dat Oy, Strangers vos, al heeft afgerekend met het probleem.
Varlock vindt ook in deze ruimte een geheime deur. Ze komen terecht in een ruimte waar een gigantische modderpoel ligt. In het midden is een soort schiereilandje waarop een hoop lichaamsdelen ligt, waarnaast een kruiwagen is achtergelaten.
Vanachter de berg duikt een vreemd, groot wezen op: het staat op drie poten en bestaat verder voornamelijk uit een gigantische bek met tanden, waaromheen drie tentakels in de lucht kronkelen. Twee daarvan zijn bezet met stekels, het derde met ogen. Het is een otyugh, die door de stad wordt gebruikt om het riool schoon te houden.
Wanneer het beest de vier in de gaten krijgt, brult het verheugd: “Ha, warm voedsel!” Het is de groep duidelijk dat ze worden beschouwd als weg te werken afval, een ontnuchterend idee.
Varlock laat dat niet zomaar op zich zitten, heft zijn bijl en stormt er op af. Hij hakt op het beest in, maar komt meteen binnen bereik van de vervaarlijke bek, en er wordt een flinke hap uit zijn schouder genomen. Rexana lanceert een magische zegening die de hele groep versterkt, en Chiara krijgt het gebruik van de kruisboog verrassend vlot onder de knie. Stranger richt inmiddels zijn pistool en vuurt op het monster, dat begint te wankelen. Maar ondanks de inslaande kogels laat de otyugh niet af, en sluit zijn tanden nog een keer om Varlock, die er slecht begint uit te zien, maar niet van plan lijkt het op te geven.
Rexana schiet naderbij om de gehavende dwerg te helen, terwijl Chiara zorgvuldig mikt en een pijl recht in een oog van het monster jaagt om het wat af te leiden. Stranger dient het een flinke klap toe met een magisch projectiel, en dan zwaait Varlock zijn bijl met een machtige klap die het wezen fataal wordt: het stort levenloos ter aarde.
Wanneer iedereen bekomen is, wijst Rexana de groep erop dat ze hier zijn om een lichaam te zoeken, en ze zich dus op de berg lichaamsdelen zullen moeten storten. De rest laat de eer graag aan haar over, en ze zet zich aan de onsmakelijke taak van het doorzoeken van de stinkende berg. Haar inspanningen zijn niet tevergeefs: na enige tijd vindt ze tussen de lichaamsdelen een onderlichaam dat duidelijk aan een Shoanti heeft toebehoord, de tatoeages en beschilderingen maken dat wel duidelijk.
Stranger stelt praktisch voor om dit gedeelte alvast op de nabije kruiwagen te laden - op die manier kunnen ze het later makkelijk ophalen. Met dit plan wordt ingestemd, en met enige tevredenheid - hun opdracht is toch al half vervuld - wordt de zoektocht verder gezet.
Na enige tijd lopen komen ze in een nieuwe kamer terecht. Hierin bevinden zich drie bloedbevlekte tafels. In de hoek van de kamer staat een kooi waarin twee enorme, mugachtige insecten zitten. Op de middelste tafel ligt een lichaam, waarop een derro vier van dergelijke reuzenmuggen aan het plaatsen is.
De derro keert zich dreigend richting de binnengekomen groep. Iedereen maakt zich klaar om zich andermaal in de strijd te storten, maar Stranger is iedereen voor. Hij springt naar voren, heft zijn handen, en lanceert een spreuk die ontploft in een duizelingwekkende cycloon van kleuren. De derro en twee van de reuzenmuggen vallen verdwaasd neer. Rexana en Varlock maken korte metten met de overblijvende insecten, en daarna is het een koud kunstje om met de rest af te rekenen. Alweer een klus die vlot geklaard is. De misser met Trinia begint aangenaam naar de achtergrond van ieders geheugen te verdwijnen.
Treasure
30 poisoned bolts
Geen opmerkingen:
Een reactie posten